
Nederland is blijkbaar “gidsland” voor de kap van duizenden gezonde bomen (populieren, Amerikaanse eiken, enz.), omdat het “exoten” zijn. De term “gidsland” in deze context is afkomstig van de directeur van de Nederlandse stichting Probos, Patrick Jansen (zie verder). Ook in Vlaanderen worden duizenden gezonde bomen geveld omdat ze als exoten “geen of weinig ecologische waarde” zouden hebben. Maar Nederland is blijkbaar ook gidsland in het uiten van kritiek op sommige blijkbaar problematische kanten van het “exotenbeleid” in Nederland.
Al in 2006 schreef Simon Roozendaal, wetenschappelijk hoofdredacteur van het tijdschrift Elsevier, een kritisch stuk over het exotenbeleid in Nederland. We vinden evenwel Roozendaals link tussen uitheemse plantensoorten en de term “allochtonen” niet gelukkig gekozen. Verder maakt Roozendaal ook geen onderscheid tussen “schadelijke” en “onschadelijke” exoten. Canadese populieren, Amerikaanse eiken, Corsicaanse dennen en Japanse kerselaars zijn ongevaarlijke exoten, bijvoorbeeld, en te onderscheiden van woekerende bospest (Amerikaanse vogelkers). Toch stelt Roozendaal pertinente vragen, vooral omdat zijn artikel gebaseerd is op uitvoerige interviews met Nederlandse vertegenwoordigers van het anti-exoten beleid. In Vlaanderen zoeken we tevergeefs naar een krantenartikel of wetenschappelijk artikel dat gelijkaardige vragen stelt bij de kap van duizenden gezonde populieren en Amerikaanse eiken in het kader van het Vlaams anti-exotenbeleid (als u toch weet heeft van zo’n wetenschappelijk onderbouwd artikel, gelieve het dan te mailen naar onze.natuur@gmail.com). En niet zelden stellen vertegenwoordigers van het anti-exotenbeleid in Vlaanderen dat populierenbossen, bijvoorbeeld, “géén ecologische waarde” hebben.
Hieronder citeren we delen van het artikel van Simon Roozendaal uit Elsevier, dat het Nederlandse exotenbeleid kritiseert. Wat Roozendaal beschrijft is ten dele ook van toepassing op Vlaanderen, waar evenzeer jaarlijks duizenden gezonde onschadelijke bomen sneuvelen op basis van een gelijkaardig “exotenbeleid.” Zoals naar voren komt uit Roozendaals artikel, blijken Nederland en Vlaanderen uniek te zijn in die drastische, kapgrage aanpak van gezonde ongevaarlijke “exoten” en blijkt dit beleid zelfs op verwondering te stuiten in het buitenland. Verder noteren we hier al meteen dat er toch wezenlijk verschil is tussen Nederland en Vlaanderen: in Nederland schijnt het goed te gaan met de bomen en bossen (zo stelt Roozendaal in 2006), terwijl Vlaanderen te véél ontbost en de doelstellingen inzake bebossing keer op keer niet haalt (zie verder).
Het bos
De afgelopen decennia worden niet-Nederlandse bomen consequent uit de vaderlandse bossen geweerd. Zo’n 30 procent van het Nederlandse bos is van allochtone herkomst (20 procent exotisch loofhout, 10 procent exotisch naaldhout) en dat is volgens de meeste Nederlandse bosecologen veel te veel. Vooral de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten (de op een na grootste bosbezitter van Nederland), maar ook Staatsbosbeheer (de grootste) kappen daarom ongegeneerd bomen zoals de Amerikaanse eik, Corsicaanse den, Japanse lariks en de Douglasspar, plus struiken zoals de Amerikaanse vogelkers.
Henk Siebel, bosecoloog van Natuurmonumenten, windt er geen doekjes om. ‘Het is ons beleid om exotische boomsoorten te weren daar waar ze de natuurwaarde negatief beïnvloeden.’
Sommige bomen worden omgezaagd, andere worden ‘geringd’ (doden door middel van het weghalen van een ring schors rondom de boom) en weer andere (de Amerikaanse vogelkers) worden met wortel en al verwijderd.
Noot: Op deze blog maken we een strikt onderscheid tussen enerzijds Canadese populieren, Amerikaanse eiken, Corsicaanse eiken, Japanse kerselaars e.d. enerzijds, en struiken als de woekerende bospest genaamd Amerikaanse vogelkers, anderzijds, wat Roozendaal hier niet doet.
Uit Roozendaals artikel blijkt evenwel dat de kap van gezonde ongevaarlijke “exoten” in Nederland (en Vlaanderen, voegen we eraan toe), geen navolging vindt in het buitenland. Integendeel, buitenlandse collega’s reageren blijkbaar enigszins geschokt op dit beleid:
Zowel in het weren van exoten als in het ‘ringen’ is Nederland gidsland, stelt Patrick Jansen, directeur van Stichting Probos, een bureau dat de cijfers over de Nederlandse bosstand levert aan internationale organisaties. In het buitenland wordt Jansen, zelf aan de Wageningen Universiteit opgeleid als bosbouwer, geregeld aangesproken op het Nederlandse beleid. ‘Als buitenlandse collega’s horen dat wij per jaar duizenden bomen doodmaken door een stuk schors weg te halen, krijgen ze ogen als schoteltjes.’
Waarom worden gezonde “exoten” dan bij de vleet gekapt in Nederland (en Vlaanderen, voegen we eraan toe) en hoe is het dan zo ver gekomen? Roozendaal gaat verder:
Achter het anti-allochtonenbeleid van Natuurmonumenten zit de redenering dat exoten doorgaans slecht zijn voor de biodiversiteit, de variatie in soorten. Elke boomsoort heeft zijn eigen flora en fauna om zich heen. Veel van de exoten zijn in de afgelopen eeuwen hiernaartoe gehaald om economische redenen. Het zijn zogeheten broodbomen: de bomen groeien snel en leveren goed hout. In de jaren tachtig en negentig van de afgelopen eeuw zijn de economische overwegingen binnen de Nederlandse bosbouw echter naar de achtergrond verdwenen. Sindsdien worden bossen op ecologische overwegingen beheerd. En daarbij scoren de exoten slechter dan autochtone bomen. Om een voorbeeld te geven: op Nederlandse bomen zitten doorgaans meer insecten dan op exoten. In wezen is dit het argument waarom de niet-Nederlandse bomen worden geweerd uit de vaderlandse bossen. Siebel van Natuurmonumenten: ‘Die exoten zijn hier gekomen zonder de insecten en schimmels die hen in hun gebieden van oorsprong onder controle houden. Daarom verminderen ze de biodiversiteit en hebben ze bovendien de neiging om andere bomen te overvleugelen.’
Maar het anti-exotenbeleid is blijkbaar uit de hand gelopen, zoals de heer Jansen van Probos stelt, want het anti-exotenbeleid is, in zijn woorden, bijna “een religie” geworden. M.a.w. het evenwicht in een aantal beslissingen over kap van bv. gezonde Amerikaanse eiken schijnt zoek te zijn:
Jansen van Probos vindt dat het anti-exotenbeleid is doorgeslagen. ‘Het is bijna een religie geworden.’ Hij geeft als voor–beeld de bomen aan weerszijden van de A50 tussen Arnhem en Apeldoorn. Daar zijn allerlei Douglassparren en Amerikaanse eiken gekapt. ‘Er zat één werkelijk magnifieke Amerikaanse eik bij, een hele grote. Ook die is gekapt!’ Het argument van biodiversiteit gaat in zo’n geval niet op, vindt Jansen. ‘Het is waar dat op inlandse boomsoorten meer biodiversiteit voorkomt dan op exoten. Maar op exoten zitten bijvoorbeeld wel heel andere soorten insecten dan op inheemse eiken. Als je, zoals ze langs de A50 hebben gedaan, alle exoten kapt, dan verminder je eigenlijk de biodiversiteit.’ Onder invloed van de kritiek is het beleid van Natuurmonumenten de afgelopen jaren een tikje bijgesteld, geeft Siebel toe. ‘We laten vaker dan in het verleden exoten staan.’ Op de Veluwe bijvoorbeeld spaart Natuurmonumenten de Amerikaanse eik, ook al is dat een volbloed exoot. Siebel: ‘In de holten van oude Amerikaanse eiken huizen vleermuizen en marters, en dat is goed voor de biodiversiteit. Bovendien zijn er op de Veluwe wilde zwijnen die eikels eten en zo voorkomen dat de Amerikaanse eik zich massaal verspreidt.’
We noteren hier alvast dat Amerikaanse eiken, waarvan er grote getalen in Vlaanderen gekapt worden, dus wél een biologische waarde hebben, bijvoorbeeld voor vleermuizen en marters. Ook Canadese populieren zijn niet gelijk aan “geen ecologische waarde” en we zullen daarover hier weldra meer wetenschappelijk bewijsmateriaal zetten. Verder noteren we dat Jansen van Probos hier stelt dat het kappen van alle exoten enkel omdat het exoten zijn ironisch genoeg juist resulteert in een vermindering van biodiversiteit omdat ook de exoten hun eigen insecten hebben.
Rozendaal besluit zijn artikel met te zeggen dat het goed gaat met de Nederlandse bossen en dat er meer bomen en bossen in Nederland zijn dan in de voorbije 300 jaar. Ware het maar waar dat we konden zeggen dat het goed gaat met de bossen in Vlaanderen. Het tegendeel is echter het geval: Vlaanderen ontbost veel te veel en Vlaanderen haalt de doelstellingen inzake bebossing niet, lezen we elk jaar keer op keer: http://www.vilt.be/Vlaanderen_ontbost_weer_te_veel
Ware het niet beter dit probleem van ontbossing in Vlaanderen eerst en efficiënter aan te pakken, i.p.v. majestueuze reuzen als gezonde Amerikaanse eiken en gezonde Canadese populieren te kappen, zo vraagt de doorsnee burger zich af.
Bijgaand de conclusie van Rozendaals artkel, over de Nederlandse situatie waar er blijkbaar wel genoeg bomen en bossen zijn…
Prehistorie
Het gaat overigens goed met de Nederlandse bossen. Er zijn meer bossen en bomen dan ooit in de afgelopen driehonderd jaar. Rond 1800, het historisch dieptepunt, had Nederland nog maar 100.000 hectare bos over van de immense wouden waarmee het land in de prehistorie was bedekt. Inmiddels is er weer 360.000 hectare, ruim 10 procent van de totale oppervlakte. Elk jaar groeit het Nederlandse bos met 1.400 hectare. Niet alleen met de hoeveelheid bos gaat het de goede kant op, ook met de kwaliteit ervan. Zo is er in Nederlandse bossen steeds vaker dood hout te zien. Vooral sinds de jaren tachtig laten beheerders dode bomen liggen. Alweer iets waarmee het Nederlandse bos-beheer in de wereld voorop heeft gelopen. Jansen van de stichting Probos: ‘Het was een flinke cultuuromslag, maar het werkt. De helft van de biodiversiteit in een bos is immers afhankelijk van dood hout.’ Wel heeft Jansen zorgen over de kwaliteit van het bos. In de eerste plaats zijn de Nederlandse bossen niet erg natuurlijk. ‘Het is allemaal cultuurnatuur. Zelfs de bossen in de Belgische Ardennen en de Duitse Eifel zijn aangeplant voor de houtproductie.’ Als gevolg daarvan is het vaderlandse bos relatief jong, er zijn weinig oude woudreuzen, en om die reden proberen Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten dat verouderingsproces te versnellen door her en der bomen om te hakken of te ‘ringen’. Jansen: ‘Ze hebben naar mijn smaak iets te veel haast.’ Ook vraagt hij zich af of de slinger niet naar de andere kant is doorgeslagen, of er momenteel niet te weinig aandacht is voor de economie van het bos. In het verleden stond voorop dat een bos geld moest opbrengen door houtproductie en jachtopbrengsten. Tegenwoordig is ecologie – biodiversiteit en natuurwaarde – dominant. ‘We hebben zowel de houtproductie als de jacht de nek omgedraaid. Daarom stellen de opbrengsten in een Nederlands bos nauwelijks meer iets voor.’ Eigenlijk is dat niet duurzaam, vindt Jansen. ‘Volgens mijn definitie van duurzaamheid moet een bosbeheerder op eigen benen kunnen staan. Dat is nu niet zo. Momenteel zijn de Nederlandse bossen te afhankelijk van subsidies. Nu is dat geen probleem, omdat Nederland rijk is en de overheid en de politiek genoeg geld overhebben voor de bossen. Maar dat kan in de toekomst veranderen. Bosbeheer is een kwestie van langetermijndenken. Een bos gaat meer dan honderd jaar mee.’ Wat Jansen persoonlijk een mooi bos vindt? ‘Een monocultuur van beuken die allemaal even oud zijn. Zo’n kathedralenbos met een gesloten kronendak dat je af en toe nog op de Veluwe tegenkomt. Helaas gaat ook dat verdwijnen. Ook een monocultuur mag niet meer van de huidige bosecologen.’
Het volledige artikel uit Elsevier vindt u op deze link: http://www.elsevier.nl/web/Artikel/172977/Xenofobie-in-het-bos-duizenden-vreemde-gezonde-bomen-gekapt.htm